naar begin

naar publicaties


naar op locatie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CONSTELLATIES EN NETWERKEN - Eva Langerak

Het weerkaatsende zonlicht op de betonnen vloer van de galerieruimte roept de illusie op van een zacht kabbelend wateroppervlak wanneer ik voor het eerst samen met teja de tentoonstelling betreed. Het licht beweegt over de grond als een onzichtbare stroom, een vluchtige aanwezigheid die de ruimte onmiddellijk een zekere lichtheid verleent. Opmerkelijk, want de tentoonstelling omvat niet minder dan vijftig jaar kunstenaarschap. Toch is het niet de omvang van dat oeuvre die zich als eerste aandient, maar een gevoel van evenwicht.
Mijn blik dwaalt langs de werken. Een halve eeuw kijken, denken, maken... Een halve eeuw waarin ervaringen, observaties en gedachten hun weg vonden naar materie, vorm en beeld. Hoe vang je zo'n tijdspanne in één tentoonstelling?

Dat I See Gallery haar bestaan juist begint met een terugblik verleent de ruimte een bijzondere betekenis. Het is geen neutrale tentoonstellingsplek, maar een plek die uitnodigt tot vertraging. Waar voorheen werd gewerkt aan de dagelijkse praktijk van het land, ontstaat nu ruimte voor aandacht, verbeelding en beschouwing. Dat ik als curator, eveneens afkomstig uit Zeeland, de opening van deze nieuwe plek met woorden mag begeleiden, ervaar ik als een voorrecht.

Samen met Ana Pelgröm en teja van hoften sta ik in de zonovergoten ruimte. Het licht blijft over de vloer bewegen als water, terwijl de werken lijken te drijven in een traag ritme van reflecties en herinneringen. "Stroming, water," zegt teja, "is een belangrijke thema in mijn werk."

Stroom. Het is een woord dat tegelijkertijd beweging en verbinding suggereert. Water dat zijn weg zoekt door een landschap. Elektriciteit die door kabels loopt. Gedachten die zich een weg banen door het brein. Tijd die voorbijgaat. Een stroom kent geen vast beginpunt. Zij ontstaat uit wat eraan voorafging en beweegt altijd verder. Een beginpunt aanwijzen in deze tentoonstelling blijkt dan ook onmogelijk. Iedere blik op een werk wordt onmiddellijk opgevolgd door een ander werk dat zich aandient. Alsof de tentoonstelling niet uit afzonderlijke objecten bestaat, maar uit een netwerk van associaties. Een constellatie.

We beginnen bij een wand waarop porseleinen figuren door de ruimte lijken te bewegen. Of ze vallen, vliegen, zweven of duiken laat teja glimlachend in het midden. Ik denk aan Icarus, aan de oude menselijke wens om los te komen van de zwaartekracht. Maar deze figuren lijken niet te worden voortgedreven door ambitie of hoogmoed. Ze lijken gewichtloos, ontdaan van alles wat mensen zo vaak gevangen houdt. Voor een moment zou ik met hen willen meebewegen. We kronkelen verder door de tentoonstelling. Langs waterwerken, vertakkingen, draden en delta's. Langs composities van micro-organismen die zich als sterrenstelsels over het oppervlak verspreiden. "Ze zijn overal," zegt teja. "In de lucht, in de oceanen, op onze huid." Ze heeft het over de micro-organismen die ze in Micropia bestudeerde, het museum naast Artis met de allerkleinste dieren, de eencelligen. Fascinerend genoeg gebruikte ze ook haar eigen lichaam om tot de eencellige vormen te komen.

In een wandkast staan de boeken die ze tot nog toe heeft gemaakt. Terwijl we bladeren, verschijnen opnieuw structuren.  "Het lichaam is een landschap," zegt teja.

Op dat moment valt mijn blik op een van haar borduurwerken. Netwerken van lijnen, organismen, cellen en verbindingen. Het lijkt alsof haar werk voortdurend zoekt naar de momenten waarop het onderscheid tussen lichaam en wereld begint te vervagen.

Wanneer teja over stroom spreekt, gaat het al snel niet meer alleen over water. Stroom verwijst ook naar de netwerken die ons bestaan vormgeven. De zichtbare en onzichtbare structuren waarbinnen wij leven. Wegen, rivieren, elektriciteitskabels, datanetwerken, wortelstelsels, zenuwbanen. Wij bewegen ons dagelijks door systemen die groter zijn dan onszelf. Sterker nog: wij bestaan dankzij die systemen.

Terwijl ik naar haar werk kijk, denk ik aan de metronetwerken van Parijs en New York. Aan de gekleurde lijnen die zich onder de stad vertakken, kruisen en weer samenkomen. Kaarten die op het eerste gezicht rationeel ogen, maar bij nader inzien iets opvallend organisch bezitten. Hun structuur doet denken aan rivierdelta's, aan schimmeldraden, aan de verbindingen tussen neuronen in ons brein.

Misschien zijn we daarom zo gefascineerd door netwerken. Omdat we ze overal herkennen. In bomen, in wolkenformaties, in rivieren, in verkeersstromen, in de vertakkingen van longen en bloedvaten. Alsof de wereld zichzelf telkens opnieuw tekent volgens vergelijkbare principes. De filosoof Gilles Deleuze beschreef dergelijke structuren ooit als een rhizoom: een netwerk zonder centrum, zonder hiërarchie, zonder duidelijk begin of einde. Een structuur waarin alles met alles verbonden kan raken.

De mooiste voorbeelden daarvan bevinden zich misschien wel in ons eigen lichaam. Tijdens een gesprek vertelt teja over een medisch onderzoek dat zij jaren geleden moest ondergaan. Terwijl een camera zich door haar lichaam bewoog, keek zij mee op een scherm. Waar een arts een diagnostisch instrument zag, zag teja een landschap. Ze beschrijft hoe de roze plooien van haar darmwand haar deden denken aan een artisjok. Laag over laag ontvouwde zich een wereld die tegelijk vreemd en vertrouwd was. Een binnenwereld die zij haar hele leven met zich meedroeg, maar nooit eerder had gezien. Na afloop vroeg ze of ze een kopie van de beelden mocht ontvangen. De arts reageerde verbaasd. Waarom zou iemand beelden van zijn eigen ingewanden willen bewaren? Maar juist die reactie is veelzeggend. We leven ons hele leven in een lichaam dat we nauwelijks kennen. We zien onze handen, ons gezicht, onze huid. Maar het grootste deel van onszelf blijft verborgen. Het lichaam is misschien wel het meest intieme en tegelijkertijd het meest onbekende landschap dat we bezitten. Het raakt aan een fundamentele menselijke paradox. We zijn voortdurend gefascineerd door onszelf, terwijl we tegelijkertijd bang zijn voor wat zich binnenin bevindt. Voor ziekte, verval, kwetsbaarheid. Uiteindelijk ook voor de dood.

Waar zulke beelden vaak worden gebruikt om afwijkingen op te sporen, gebruikt teja ze om verwantschappen zichtbaar te maken. Om te laten zien hoe de patronen van het lichaam resoneren met die van de natuur. Hoe een darmwand kan lijken op een bloem. Hoe een zenuwstelsel verwant is aan een rivierdelta. Hoe dezelfde vormen zich op talloze schaalniveaus blijven herhalen.

We verplaatsen ons naar de keramische werken op de vloer. Grote, ronde vormen die de ruimte verankeren. Op het glanzende beton lijken ze te dobberen als boeien op een kalm wateroppervlak: bakens die houvast bieden te midden van de voortdurende beweging die door de tentoonstelling stroomt.

Dan komen we bij het laatste werk. Mijn oog was er eerder al naartoe getrokken. Een keramische vorm, verwant aan een pit of zaadkern, staat in dialoog met een opengewerkte structuur van brons. Twee vormen die elkaar lijken aan te vullen zonder volledig samen te vallen. Body and soul.

Het voelt als een passend eindpunt, of misschien beter gezegd: een nieuw beginpunt. Gedurende de tentoonstelling hebben we ons bewogen langs waterstromen, netwerken, micro-organismen, landschappen van huid en ingewanden, structuren die zich herhalen van het allerkleinste tot het allergrootste schaalniveau. Hier verschuift de aandacht naar iets wat zich minder gemakkelijk laat vastleggen. Naar datgene wat zich onttrekt aan het oog, maar zich desondanks laat vermoeden. De keramische vorm doet denken aan een pit waarin de belofte van nieuw leven besloten ligt. Een structuur die zich kan ontvouwen, vertakken en transformeren. Maar een pit kan ook verdrogen, verschrompelen, verdwijnen. Ook daarin schuilt een waarheid over het bestaan. Groei en verval, ontstaan en verdwijnen zijn geen tegenstellingen, maar maken deel uit van dezelfde cyclus.

Misschien is dat wat teja’s werk steeds opnieuw zichtbaar maakt: dat alles met alles verbonden is. Dat de patronen die we herkennen in waterlopen, wortelstelsels, zenuwbanen en sterrenstelsels ook in onszelf aanwezig zijn. Dat lichaam en geest, mens en natuur, binnenwereld en buitenwereld geen strikt gescheiden domeinen vormen, maar verschillende manifestaties van dezelfde onderliggende structuur.

Zoals water zijn weg zoekt door een landschap, zo beweegt teja’s oeuvre zich door een netwerk van vormen, herinneringen en ervaringen. Niet lineair, maar vertakkend; niet gericht op een eindpunt, maar op het leggen van nieuwe verbindingen. Wat deze tentoonstelling uiteindelijk zichtbaar maakt, is dan ook geen afgerond oeuvre dat zich laat samenvatten, maar een voortdurende beweging van kijken, verwonderen, transformeren en verbinden. Een praktijk die ons eraan herinnert dat wij, hoe afzonderlijk we ons soms ook wanen, altijd deel uitmaken van dezelfde stroom.